 |
| 103 sec |
De krapte op buitensportlocaties is geen nieuw verhaal, maar soms schuift er een cijfer langs dat je toch weer even stil doet staan. NRC liet onlangs zien dat Nederland in tien jaar tijd zo'n 3.000 hectare aan sportruimte is kwijtgeraakt. Dat zijn niet alleen hectares op papier, dat zijn de vinex-wijken waar je langs rijdt en denkt: hé hier was toch een trainingsveld? Vooral in steden gaat het hard. Voetbal-, hockey- en tennisverenigingen leveren terrein in, simpelweg omdat er woningen of kantoren moeten komen.
|
|
Voetbal-, hockey- en tennisverenigingen leveren terrein in, simpelweg omdat er woningen of kantoren moeten komen
| |
|
Wethouders herkennen deze ontwikkeling zonder moeite. Tegelijk hoor je dat ze alles op alles zetten om beter te gebruiken wat er nog ligt. Meer kunstgras, ruimere openingstijden, handiger indelen — het zijn oplossingen die inmiddels bijna vanzelf in ieder gesprek voorbijkomen. En eerlijk is eerlijk: als je alleen naar de cijfers kijkt, lijkt het allemaal nog wel mee te vallen. Gemiddeld heeft iedere Nederlander zo'n 21 vierkante meter sportruimte. Dat getal is al jaren redelijk stabiel, ook met een groeiende bevolking.
Maar gemiddelde cijfers vertellen zelden het hele verhaal. De groei zit namelijk vooral buiten de stad, terwijl juist de stedelijke velden verdwijnen. En dan is er nog de flinke uitbreiding van golfbanen. Tussen 2010 en 2020 kwam er 13 miljoen vierkante meter bij. Golf neemt inmiddels een kwart van het totale sportareaal in beslag. Ook een mooie sport, maar geen ruimte waar buitensportclubs iets aan hebben. Dat alles maakt het beeld een stuk minder rooskleurig dan die ene gemiddelde waarde doet vermoeden. Voor clubs heeft dit alles directe gevolgen: wachtlijsten en krappe planningen. En voor onze sector betekent het minder vierkante meters om te beheren en te onderhouden. Daar komt een tweede inzicht bij, afkomstig uit nieuw onderzoek van het Mulier Instituut. Extra velden zorgen niet automatisch voor meer sporters. De nieuwe capaciteit wordt vooral gebruikt door groepen die al actief waren. De mensen die nu niet sporten, komen daar niet vanzelf door in beweging. Daarmee ontstaat een dubbele druk: minder ruimte én een groeiende ongelijkheid in wie er wel en niet sport. Gemeenten staan daarmee voor lastige keuzes. Bouwopgaven vragen ruimte, sport vraagt dat ook, en investeringen bereiken vooral de doelgroepen die de weg naar het veld allang kennen.
|
|
Het gaat allang niet meer alleen om het aanleggen en onderhouden van velden, maar ook om de vraag: wie staat er straks eigenlijk op?
| |
|
Voor de sector is dat geen makkelijke boodschap. Het gaat allang niet meer alleen om het aanleggen en onderhouden van velden, maar ook om de vraag: wie staat er straks eigenlijk op? Dat vraagt om plannen die verder gaan dan het vergroten van het oppervlak. Denk aan slimmer delen, intensiever gebruiken en vooral aan manieren om ook nieuwe groepen het veld op te krijgen. Dat wordt soms weggezet als 'zacht', maar het bepaalt wél hoe de buitensport er over tien jaar uitziet. De ruimte neemt af, en de verschillen in sportdeelname worden zichtbaarder. Ons vakgebied zit precies tussen die twee ontwikkelingen in. De opdracht is om beide serieus te nemen, voordat ze elkaar nog verder versterken.
| LOGIN
met je e-mailadres om te reageren.
|
|
|
| Er zijn nog geen reacties. |
|