Grof rekenraster kan leiden tot verkeerde keuze bij lichtplan |
|
|
|
|
| André Bakker,
zaterdag 20 december 2025 |
 |
| 198 sec |
Veel sportvelden worden nog beoordeeld op basis van een standaard rekenraster. Is dat terecht?
Veel sportvelden worden nog beoordeeld op basis van een standaard rekenraster. Maar een grof raster geeft vaak een te rooskleurig beeld van de lichtkwaliteit. Daardoor kan een plan dat op papier voldoet, in de praktijk slechter presteren. Een fijner rekenraster — bijvoorbeeld 1 x 1 meter — geeft een realistischer beeld en helpt bij het maken van de juiste keuze voor een lichtplan.
Lichtplannen worden door ontwerpsoftware berekend met een rekenraster. Het rekenraster bestaat uit een aantal punten waarvan de hoeveelheid lux berekend wordt. Egem, Emin en Emax zijn respectievelijk het gemiddelde, het minimum en het maximum van de rekenpunten. De gelijkmatigheid wordt vervolgens beoordeeld door te kijken naar Emin : Egem en Emin : Emax.
Rekenpunten
De Nederlandse norm NEN-EN 12193 schrijft het aantal punten van de rekenrasters voor. Voor voetbalvelden van 100 x 64 meter is dat bijvoorbeeld 19 x 13 punten, voor hockeyvelden 19 x 11 punten en voor tennisvelden 13 x 7 punten. De norm legt vast dat er een oneven aantal rekenpunten gebruikt moet worden (zodat rekenpunten zowel in de lengte als de breedte in het midden liggen), maar laat de exacte afstand tussen rekenpunten vrij. In de NSVV-aanbevelingen voor diverse sporten wordt meestal wel precies beschreven waar de rekenpunten moeten liggen.
Niet alle leveranciers gaan even nauwkeurig met rekenrasters om, waardoor er weleens een iets afwijkend rekenraster gebruikt wordt. De ontwerpsoftware neemt soms niet het juiste aantal punten en dat kan over het hoofd worden gezien. Door verschillen in rekenrasters hebben we in de praktijk niet altijd een appels-met-appels-vergelijking.
Vertekend beeld
De rekenpunten liggen meestal iets van de randen van het veld af, terwijl het minimum vaak op de rand van het veld ligt. Het zou beter zijn de buitenste rekenpunten op de randen van het veld te nemen, maar dit is jammer genoeg niet voorgeschreven. Een groter probleem is dat de meeste rekenrasters te grof zijn. Bij voetbalvelden en hockeyvelden bijvoorbeeld is de afstand tussen rekenpunten ongeveer 5 meter. Het werkelijke minimum en werkelijke maximum kunnen daardoor 3,5 meter van de rekenpunten af liggen en dat kan een vertekend beeld van de werkelijkheid geven.
Verkeerde keuze
Stel het werkelijke minimum is 150 lux. Ligt dit punt toevallig op een rekenpunt, dan is de berekende Emin ook 150 lux. Maar ligt het werkelijke minimum ergens tussen rekenpunten in, dan kan de berekende Emin behoorlijk hoger zijn, bijvoorbeeld 170 lux. Op dezelfde manier kan de berekende Emax behoorlijk lager zijn dan het werkelijke maximum. Het kan daardoor zijn dat lichtplan A betere waarden voor Emin : Egem en Emin : Emax laat zien dan lichtplan B, maar lichtplan B in werkelijkheid beter is. Hieronder volgt een voorbeeld. Met andere woorden: een grof rekenraster kan tot de verkeerde keuze leiden. Een lichtplan met een rekenraster van 1 x 1 meter geeft een veel betere benadering van de werkelijkheid dan een lichtplan met een grof rekenraster.
Twee berekeningen
Het is verstandig de leverancier om twee berekeningen te vragen: • een berekening met het voorgeschreven aantal rekenpunten, om te zien of het lichtplan aan de minimumeisen van de sportbond voldoet, • een berekening met een rekenraster van 1 x 1 meter, om verschillende lichtplannen objectiever te kunnen vergelijken. Het rekenraster van 1 x 1 meter moet daarbij een oneven aantal punten hebben, zodat de rekenpunten zowel in de lengte als in de breedte in het midden van het veld liggen. Want Emin kan, zeker bij grotere velden, ook in het midden van het veld liggen.
Gevuld isolijnendiagram
De ontwerpsoftware kan meestal een met verschillende kleuren gevuld isolijnendiagram maken. Dit geeft een mooi visueel beeld van de verdeling van het licht over het veld. Hieronder volgen enkele voorbeelden. Aangezien het spel het meest in het midden van het veld plaatsvindt, hebben we de donkerste plekken liever aan de rand van het veld dan in het midden. Idealiter liggen de donkerste en lichtste plekken niet vlak naast elkaar (dat kan eventueel in een gradiënt uitgedrukt worden). Met een gevuld isolijnendiagram kunnen dergelijke aspecten visueel beoordeeld worden. De kwaliteit van de verlichting is moeilijk in een paar getallen te vangen. Een gevuld isolijnendiagram geeft een genuanceerder beeld dan alleen Emin : Egem of Emin : Emax.
Voorbeeld
We hebben twee lichtplannen voor een voetbalveld, die allebei ruimschoots voldoen aan de nieuwste eisen: lichtplan A met een rekenraster van 19 x 13 punten.
 | | Figuur 1. Lichtplan A met een rekenraster van 19 x 13 punten |
|
|
 | | Figuur 2. Lichtplan B met een rekenraster van 19 x 13 punten |
|
|
Op basis hiervan zouden we voor lichtplan A kiezen (zowel Emin : Egem als Emin : Emax iets beter).
 | | Figuur 3. Lichtplan A met een rekenraster van 1 x 1 meter |
|
|
 | | Figuur 4. Lichtplan B met een rekenraster van 1 x 1 meter |
|
|
We zien voor lichtplan A een significant verschil tussen beide rekenrasters:
|
| Raster |
| min. |
| max. |
| gem. |
| min./gem. |
| min./max. |
|
| 19x13 |
| 167,4 |
| 250,8 |
| 202.2 |
| 0,83 |
| 0,67 |
|
| 1x1 m |
| 139,1 |
| 256,7 |
| 200.9 |
| 0,69 |
| 0,54 |
Voor lichtplan B is het verschil echter minimaal:
|
| Raster |
| min. |
| max. |
| gem. |
| min./gem. |
| min./max. |
|
| 19x13 |
| 163,2 |
| 246,3 |
| 202,1 |
| 0,81 |
| 0,66 |
|
| 1x1 m |
| 161,1 |
| 246,6 |
| 201,5 |
| 0,80 |
| 0,65 |
Met een rekenraster van 1 x 1 meter wordt nu duidelijk dat niet lichtplan A, maar lichtplan B beter is (Emin : Egem en Emin : Emax significant beter). Met een rekenraster van 19 x 13 punten zouden we de verkeerde keuze maken. Hoe fijner het rekenraster, hoe beter het beeld de werkelijkheid benadert; hoe grover het rekenraster, hoe meer het beeld vertekend kan zijn.
Ontwerpen
Een rekenraster van 1 x 1 meter geeft een beter beeld van de werkelijkheid dan een grof rekenraster. Het is mede daarom beter te ontwerpen met een rekenraster van 1 x 1 meter. Ontwerp je met een grof rekenraster, dan werk je ernaartoe dat het werkelijke minimum en werkelijke maximum zo ver mogelijk van de rekenpunten af komen te liggen. Daarmee wordt het verschil met de werkelijkheid groter, terwijl je juist wilt dat dit zo klein mogelijk is.
Samengevat
Het is zowel bij het ontwerpen als het beoordelen van lichtplannen beter een rekenraster van 1 x 1 meter te gebruiken. Dat leidt tot betere lichtplannen en betere keuzes.
|
|
De auteur, André Bakker, is een ervaren onafhankelijke deskundige op het gebied van sportverlichting en lichthinder. Hij is lid van de Expertgroep Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV), waar hij bijdraagt aan het opstellen van richtlijnen om lichthinder in Nederland te beperken. Daarnaast beheert hij sportlicht.nl, een platform dat informatie biedt over onder andere sportverlichting en lichthinder. Dagelijks deelt hij zijn kennis en ervaring met iedereen die vragen heeft op dit gebied.
|
| LOGIN
met je e-mailadres om te reageren.
|
|
|
| Er zijn nog geen reacties. |
|